Advies en toets

Trudie Schils, Universiteit Maastricht | 02 december 2016

Het advies van de leraar versus de score op de eindtoets, en de eerste jaren op de middelbare school


Om te bepalen naar welk onderwijsniveau een leerling het beste kan gaan op de middelbare school, wordt gebruik gemaakt van het schooladvies. Van oudsher werden voor dit schooladvies meestal twee informatiebronnen gebruikt: het advies van de leerkracht van groep 8 en de score op de eindtoets basisonderwijs. In de laatste twee jaar heeft de eindtoets aan belang ingeboet in het ‘voordeel’ van het leerkrachtadvies. Een belangrijke vraag echter is welk van de twee bronnen beter in staat is te voorspellen hoe een leerling het op de middelbare school doet. Deze vraag hield ons (Eva Feron, Bas ter Weel en mijzelf) bezig en we besloot er onderzoek[1] naar te doen. We gebruikten daarvoor data uit de OnderwijsMonitor Limburg van twee cohorten leerlingen, namelijk van leerlingen die in 2009 of 2011 in groep 8 zaten en drie jaar later in leerjaar 3 van de middelbare school. In deze blog licht ik een deel van het onderzoek eruit.

In het eerste jaar van de middelbare school (brugklas) zijn leerlingen geplaatst op basis van het schooladvies van de leerkracht en/of het advies dat uit de eindtoets volgde. De leerling kan dan vervolgens in de daaropvolgende jaren nog van onderwijsniveau veranderen. Hij stroomt op (bijvoorbeeld van havo naar atheneum) als het onderwijsniveau waarop hij zit hem te gemakkelijk af gaat, of hij stroomt af als het te lastig blijkt. Is de mate van op- en afstroom afhankelijk van of de plaatsing in de brugklas op basis van het advies van de leerkracht of dat van de eindtoets is gedaan (als beide tot een andere plaatsing leiden)?

We onderscheiden daarvoor drie groepen leerlingen:

  • (1)Leerlingen voor wie het advies volgens de leerkracht gelijk is aan dat op basis van de eindtoets. Dit geldt voor 80 procent van de leerlingen.
  • (2)Leerlingen voor wie het advies volgens de leerkracht hoger is dan dat op basis van de eindtoets. Dit geldt voor 15 procent van de leerlingen.
  • (3)Leerlingen voor wie het advies volgens de leerkracht lager is dan dat op basis van de eindtoets. Dit geldt voor 5 procent van de leerlingen.

Opstroom is als volgt gedefinieerd in dit onderzoek: een leerling zit op een hoger onderwijsniveau dan waar hij in de brugklas was geplaatst. Als een leerling het advies havo/vwo krijgt en hij wordt in een havo/vwo–brugklas geplaatst en zit drie jaar later nog op het havo is dit geen afstroom. Voor afstroom geldt het omgekeerde.

Leerlingen voor wie het advies volgens de leerkracht gelijk is aan dat op basis van de eindtoets (80%).

Figuur 1 laat zien hoeveel leerlingen op- of afstroomden in de onderbouw van de middelbare school als het advies van de leerkracht en dat van de eindtoets gelijk waren in groep 8 en de leerling ook volgens dit advies in de brugklas is geplaatst. Het grote merendeel, namelijk 83 procent, van de leerlingen zit drie jaar later nog op datzelfde niveau. Een aantal leerlingen, 14 procent, zit op een lager niveau, dus bijvoorbeeld vmbo-t in plaats van havo, en een heel klein groepje, 3 procent, zit op een hoger niveau dan waarop ze in de brugklas begonnen.

[1] http://link.springer.com/article/10.1007/s10645-016-9278-z?wt_mc=Internal.Event.1.SEM.ArticleAuthorAssignedToIssue

Fig1_trudie.JPG


Leerlingen voor wie het advies volgens de leerkracht hoger is dan dat op basis van de eindtoets (15%)

Figuur 2 laat ongeveer hetzelfde zien, alleen nu voor leerlingen voor wie het advies volgens de leerkracht hoger was dan dat op basis van de eindtoets. Een deel van deze leerlingen (71 procent) werd geplaatst volgens het advies van de leerkracht en een ander deel (10 procent) op basis van het advies dat uit de eindtoets volgde. Een klein deel werd in een brugklas geplaatst die met geen van beide adviezen overeenkwam, maar die laten we hier even buiten beschouwing. Van de leerlingen die in een brugklas zijn geplaatst op basis van het advies van de leerkracht (rechtergrafiek in figuur 2) zit ruim 80 procent nog op dat onderwijsniveau in leerjaar 3. Ongeveer 17 procent zit op een lager niveau en slechts 1 procent op een hoger niveau. Dit beeld komt overeen met het beeld uit figuur 1. Van de leerlingen die in een brugklas zijn geplaatst die overeenkwam met het advies op basis van de toets (dat lager was dan het advies van de leerkracht), zien we dat nog 60 procent op dat onderwijsniveau zit. Ongeveer 30 procent van de leerlingen zit drie jaar later op een hoger niveau, en dus dichter bij (of op) het onderwijsniveau dat de leerkracht adviseerde. 14 procent van de leerlingen zit op een lager onderwijsniveau. Er is meer beweging in vergelijking met plaatsing in een brugklas op basis van het advies van de leerkracht.

Fig2_trudie.JPG

Leerlingen voor wie het advies volgens de leerkracht lager is dan dat op basis van de eindtoets (5%)

Figuur 3 laat opnieuw hetzelfde zien, alleen nu voor alle leerlingen voor wie het advies volgens de leerkracht lager was dan dat op basis van de eindtoets. Een deel van deze leerlingen (41 procent) werd geplaatst volgens het advies van de leerkracht en een ander deel (18 procent) werd geplaatst op basis van het advies dat uit de eindtoets volgde. Een derde groep werd in een brugklas geplaatst die met geen van beide adviezen overeenkwam, die laten we hier even buiten beschouwing. De figuur laat zien dat 67 procent van de leerlingen die in een brugklas zijn geplaatst volgens het advies van de leerkracht drie jaar later nog op dat onderwijsniveau zitten. 27 procent van die leerlingen zit op een lager onderwijsniveau. Dit is hoger dan we bij de vorige twee groepen leerlingen zagen. Bij leerlingen in deze groep die in een brugklas zijn geplaatst volgens het advies op basis van de eindtoets zien we opnieuw dat een groter deel drie jaar later niet meer op dit onderwijsniveau zit. Ongeveer 24 procent is afgestroomd naar een niveau dat dichter bij (of op) het advies van de leerkracht zit en 19 procent zit op een hoger onderwijsniveau. De dynamiek in termen van verschuivingen in de onderbouw van de middelbare school is groter in deze groep dan in de andere twee groepen. De omvang van deze groep leerlingen was overigens wel beduidend kleiner dan die van de andere twee groepen, het gaat hier om slechts vijf procent van de totale groep leerlingen.

Fig3_trudie.JPG

Conclusie

Belangrijkste conclusies die we hieruit kunnen trekken zijn de volgende: Voor verreweg de grootste groep leerlingen komen het advies van de leerkracht en dat op basis van de eindtoets overeen. Voor ongeveer eenvijfde van de leerlingen is dit niet het geval. In dat laatste geval geldt voor het merendeel van de leerlingen dat het advies van de leerkracht hoger is dan dat op basis van de eindtoets. Ook geldt dat leerlingen vaker in een brugklas terechtkomen die gelijk is aan het advies van de leerkracht dan dat op basis van de eindtoets verwacht mag worden. Tot slot zien we de leerlingen die volgens het advies van de leerkracht worden geplaatst in de brugklas drie jaar later vaker nog op dit onderwijsniveau zitten dan de leerlingen die geplaatst zijn volgens het advies dat de eindtoets aangaf. Het gaat hier overigens ook om verschillende groepen leerlingen en de vraag is of ze helemaal vergelijkbaar zijn. Er zouden andere factoren een rol kunnen spelen. De leerkracht neemt in zijn schooladvies meer factoren mee dan die in de eindtoets besloten liggen en deze factoren lijken een rol te spelen in de onderwijsloopbaan van de leerling. Overigens is het wel zo, in ieder geval voor de leerlingen in ons onderzoek, dat de score op de eindtoets wel werd meegewogen in het advies dat de leerkracht geeft.


Referenties:

Eva Feron, Trudie Schils en Bas ter Weel (2016). “Does the teacher beat the test? The additional value of teacher assessment in predicting student ability”. De Economist, 164(4): 391-418, 2016.

Toetsen
delen:  
Gesprek laden

Zelf een bijdrage schrijven? De Educatieve Agenda Limburg is ook een platform waar docenten, onderzoekers en ouders stukken met elkaar delen.