Nieuwe bekostiging achterstandsleerlingen

Lex Borghans, Ron Diris en Trudie Schils (Universiteit Maastricht) | 30 April 2018


Vorige week heeft Minister Slob voor primair- en voortgezet onderwijs bekend gemaakt hoe de verdeling van middelen voor het onderwijs aan achterstandsleerlingen aangepast zal worden. In het artikel “Bekostiging gewichtenleerlingen: verschillen naar regio en alternatieven” hebben we laten zien dat in de huidige regeling een aantal keuzes zijn gemaakt die gunstig uitpakken voor de grote steden in de Randstad en minder recht doen aan onderwijsachterstanden in provincies zoals Limburg. De reden hiervoor was dat de definitie van achterstandsleerlingen zeer restrictief was.

Uit analyses kwam naar voren dat er in Limburg veel leerlingen zijn die buiten deze definitie vallen, maar in onderwijssucces toch nauwelijks verschillen van de vastgestelde doelgroep. Er werden twee categorieën onderscheiden: gewicht 0,3 en gewicht 1,2. De onderwijsprestaties van beide groepen verschillen niet noemenswaardig, maar de 1,2-leerlingen komen vooral veel in de Randstad voor. Deze 1,2-leerlingen krijgen echter vier keer zoveel achterstandsmiddelen. Bovendien wordt er gewerkt met een drempel die een school met vooral 0,3-leerlingen in de praktijk vaak niet haalt. Het percentage leerlingen dat voldeed aan deze definities werd ook snel lager. In 2010 had nog 7,2% van de leerlingen gewicht 0,3 en 5,5% van de leerlingen gewicht 1,2. Momenteel zijn beide groepen kleiner dan 4%. De middelen gaan dus naar 8% van de leerlingen, waarbij 4% van de leerlingen het leeuwendeel van de middelen krijgt.

Om deze systematiek te vernieuwen heeft de Minister aanvankelijk vijf varianten laten doorrekenen die variëren in de omvang van de groep leerlingen waarvoor scholen extra middelen krijgen: Bij variant A is dit 10%, bij B 15%, bij C en D 20% en bij E 30%. Daarnaast neemt de drempel geleidelijk af van variant A naar E. Variant D voorzag in extra middelen voor de grootste gemeenten.

Vorige week is besloten om variant B door te voeren. In onderstaande tabel wordt getoond welke consequenties dit heeft voor het budget voor onderwijsachterstanden per Limburgse gemeente. Ook staat aangegeven welk variant voor de betreffende gemeente het gunstigste zou zijn geweest.

Voor Parkstad (Heerlen, Kerkrade, Brunssum) betekent de nieuwe regeling een forse toename van het beschikbare budget. Variant A zou voor deze gemeentes gunstiger zijn geweest, maar het verschil met B is klein. Landgraaf is, met een meer dan vertienvoudiging van het budget, de grootste groeier. Een aantal andere gemeenten in Limburg zouden meer baat hebben gehad gehad bij variant E, waarin een veel grotere groep leerlingen als doelgroep wordt gezien. Hoewel de meeste van deze gemeenten ook nu een aanzienlijk toename van het budget kennen, zou de groei nog veel groter zijn geweest als voor E was gekozen. Zo is het nieuwe budget van  Horst aan de Maas 443% van het oude budget, maar zou dit 1486 zijn geweest bij variant E. Voor een aantal gemeenten zal het budget krimpen of niet veel stijgen. Landelijk stijgt het budget met 33%. De groei in Maastricht en Meerssen is lager dan dit landelijke gemiddelde. Voor Nederweert en Schinnen zal het budget dalen.

delen:  
Loading Conversation