header
Drie funderende pijlers

Binnen de EAL staan drie pijlers centraal:

  • Zorgen voor voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel
  • Impact van digitalisering op het onderwijs
  • Onderzoeken en monitoren van onderwijsontwikkeling

 

Deze pijlers reflecteren specifieke en complementaire expertises van de verschillende EAL-partners waar doorlopend ontwikkeling plaatsvindt die bijdraagt aan het thema in het algemeen. Daarnaast bieden de pijlers een continue basis voor de verschillende programmalijnen die binnen de EAL worden geadresseerd. Naast dat de drie funderende pijlers een cruciale rol vervullen in de innovatiewerkplaatsen, vindt ook ontwikkeling op het thema zelf plaats binnen de EAL. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om beantwoording van de volgende vragen, waarbij ook duidelijk is dat de pijlers onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.

 

Impact van digitalisering op het onderwijs

Hoe kunnen we het goede behouden wat de opmars van de digitale didactiek als gevolg van de COVID-19 pandemie ons heeft geleerd? Hoe kunnen we het effectief combineren met fysiek onderwijs (blended learning)? En hoe wordt dit afgestemd in de overgangen tussen de verschillende onderwijsfasen in de loopbaan van een leerling? Wat betekent het voor de opleiding en professionalisering van onderwijsprofessionals?

Door de COVID-19 pandemie en het afstandsonderwijs heeft de digitale didactiek een enorme boost gekregen. Er is daarbij veel verschil in uitvoering en onderwijsprofessionals worstelen met de borging van de kwaliteit. Anderzijds ervaren ze dat het hun eigenlijk best goed af gaat. Het digitale onderwijs biedt ook nieuwe mogelijkheden om echt te kijken naar wat een leerling/student nodig heeft: adaptief onderwijs, maatwerk en leren in een relevante context. Hoe kunnen we deze in stroomversnelling gekomen digitale didactiek borgen in het onderwijs? Hoe kan ons onderwijs meer plaats- en tijdonafhankelijk gemaakt kan worden? En hoe kunnen hierbij klassiek face-to-face onderwijs en digitaal onderwijs combineren (blended learning)? Er ligt een grote kans voor doorontwikkeling van het digitale onderwijs, waarbij blijvende aandacht moet zijn voor onderwijskwaliteit en het leveren van evidence.

Digitale didactiek verandert de traditionele rollen van leraren, studenten en instellingen. Het verandert de inrichting van het curriculum, de leeromgeving en leidt tot nieuwe vormen van toetsing en begeleiding. Het vraagt om nieuwe kennis en vaardigheden van leraren. Uitdaging is om tot een verantwoorde inzet van nieuwe technologie te komen, ondersteund door een onderwijskundig model. Hoe heeft de huidige corona-crisis hier verandering in gebracht en kunnen we deze benutten om digitale didactiek door te ontwikkelen?

Hybride leeromgevingen veroveren steeds meer terrein in het (beroeps)onderwijs. Uitgangspunt is dat er een rijke wereld zit tussen de eigen leefwereld en leren op de werkplek en leren in de schoolse context. Niet óf theorie óf praktijk, maar ook passende mengvormen. Niet óf de werkplek óf de school, maar een optimale mix. Daarnaast bieden hybride leeromgevingen ruimte voor maatwerk en flexibilisering. Gerichte inzet van digitale technologieën kan een krachtige bijdragen leveren aan de ontwikkeling en implementatie van deze hybride en flexibele leeromgevingen.

Bij digitalisering hoort digitale geletterdheid van onderwijspersoneel en van leerlingen. Digitale geletterdheid van leerlingen begint daarbij al op de basisschool waarbij het niet alleen belangrijk is dat leerlingen leren om te gaan met digitale leermiddelen, maar ook vroeg in aanraking worden gebracht met techniek en robotica. Het project STEAM Limburg laat mooie ontwikkelingen op dit terrein zien, ondersteund door wetenschappelijk onderzoek vanuit UM.

Een ander aspect van digitalisering in het onderwijs is het gebruik van data en evidence-informed werken. Als leerlingen digitaal leermateriaal gebruiken, genereren zij gegevens over hun leerproces. Door deze gegevens te analyseren, kunnen leraren diagnoses krijgen van de voortgang van leerlingen en kan maatwerk worden ontwikkelt. De analyse van de gegevens vinden leraren vaak terug in dashboards. Dit worden ook wel ‘learning analytics (LA)’ genoemd. LA is het meten, verzamelen, analyseren en rapporteren van en over data van leerlingen en hun context. LA heeft als doel het begrijpen en optimaliseren van het leren en de omgeving waarin dit plaatsvindt. De terugkoppeling van deze analyses kan leiden tot effectiever handelen door de leraar of de leerling en past binnen de ontwikkelingen van formatief evalueren. LA kan een rol spelen binnen het leerproces zelf. Een leerling krijgt bijvoorbeeld direct feedback in de vorm van aanbevelingen of het aanpassen van het niveau. Maar ook buiten het leerproces kan LA worden gebruikt om bijvoorbeeld risicofactoren op vroegtijdig schooluitval te identificeren.

Limburg heeft met de OU de expertise op het terrein van digitale didactiek in huis en de OU kan hierbinnen een leidende rol hebben in de doorontwikkeling van kennis en vaardigheden op het gebied van het online activeren en begeleiden van studenten, samenwerking, toetsen, tentamineren en feedback geven, maar ook het systematisch ontwikkelen van goed online onderwijs. UM heeft daarnaast ook expertise op het terrein van techniek en robotica in het onderwijs, diagnostisch toetsen en nieuwe vormen van gegevensverzameling en –analyse.

 

Zorgen voor voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel

Hoe zorgen we voor voldoende instroom van studenten in de lerarenopleidingen? Hoe zorgen we voor aanvulling van leraren in de tekortvakken? Welke ‘nieuwe’ vaardigheden moeten leraren-in-opleiding en zittende leraren ontwikkelingen naast vakgerichte kennis? Wat is er nodig aan ondersteuning voor hybride leraren? Welke vakinnovaties zijn er nodig en hoe kan vakkennis meer in een doorlopende leerlijn worden geborgd tussen onderwijssectoren?

Het lerarentekort neemt de komende jaren ook in Limburg toe. In het po tot 251 fte in 2024. In het vo tot 60 fte in 2024, waarvan in Zuid-Limburg het grootste tekort (35 fte in 2024). Het gaat daarbij vooral om de vakken informatica, natuurkunde, scheikunde, wiskunde, gezondheidszorg en welzijn en klassieke talen. In het mbo gaan de komende jaren veel leraren met pensioen. Voor de specifieke beroepsgerichte vakken concurreert het mbo met de reguliere arbeidsmarkt. Deze concurrentie op de arbeidsmarkt kan voor lerarentekorten zorgen.

Veel onderwijssectoren zijn daarnaast nadrukkelijk op zoek naar ‘onderwijs anders organiseren: ketenpartners ontzorgen scholen, nadrukkelijker positioneren van onderwijsondersteuners, het betrekken van experts uit andere sectoren, etc. Leerlingen/studenten hebben behoefte aan andere sturing en vaardigheden, ook in relatie tot een veranderende vraag vanuit de arbeidsmarkt. Dit vraagt nog een enorme doorontwikkeling. Het vraagt om een bredere opleiding van leraren dan alleen vakgerichte kennis, met meer aandacht voor ontwikkelingen zoals passend onderwijs, digitalisering en mediawijsheid. Er is daarbij behoefte aan goed gekwalificeerde ondersteuners en assistenten die taken van leraren kunnen overnemen. Het vraagt ook een andere mindset van leraren, waarbij werken vanuit gedeelde verantwoordelijkheid, delegeren en  aansturen belangrijke competenties zijn.

Om bij te dragen aan goed onderwijs in de provincie blijft het opleiden van voldoende goed gekwalificeerd onderwijspersoneel belangrijk. Daarbij moeten opleidingen en scholen het evenwicht bewaren tussen kwantiteit en kwaliteit. Door tekorten aan onderwijspersoneel en ‘quick fixes’ (bijvoorbeeld korte en snelle opleidingsroutes) staat de kwaliteit van het leren en opleiden van onderwijspersoneel onder druk. Zittend onderwijspersoneel moet zich ook blijvend kunnen ontwikkelen, een leven lang leren voor onderwijspersoneel via voortgezette professionalisering.

Het aanpakken van de lerarentekorten is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid, schoolleiders en lerarenopleidingen. Het ministerie van OCW investeert op verschillende manieren in de randvoorwaarden. De ambitie om een groter aantal studenten te laten kiezen voor een lerarenopleiding wordt ook breed gedragen binnen de VSNU. Meer samenwerking tussen opleidingsinstituten, universiteiten, en de verschillende academische opleidingsscholen in de provincie kan hierin nuttig zijn. In relatie tot het behoud van vwo-ers kan het verkennen van samenwerking in eerstegraadsopleidingen voor leraren met partners net buiten de provinciegrenzen interessant zijn, of sterkere samenwerking in de masteropleidingen op het terrein van onderwijsontwikkeling of -onderwijsonderzoek.

Nagenoeg alle instellingen hebben eigen professionaliseringsprogramma’s voor professionalisering van onderwijspersoneel. Hierin samen optrekken kan uitwisseling tot stand brengen, bijvoorbeeld op het gebied van digitale didactiek, waarvan de actualiteit en belang door de coronacrises nog nadrukkelijker in beeld is gekomen.

Limburg kent een aantal opleidingsinstituten voor onderwijspersoneel (lerarenopleidingen voor po/vo/mbo/ en opleidingen voor pedagogen): Fontys LerarenOpleiding Sittard (800 studenten), de Nieuwste Pabo Sittard (500 studenten), Pabo Kind & Educatie Venlo (250 studenten), en Fontys Hogeschool Pedagogiek (800 studenten). Daarnaast leiden mbo-instellingen pedagogisch medewerkers voor de voorschoolse organisaties op.

Naast onderzoek naar docentprofessionalisering aan genoemde lerarenopleidingen is expertise op dit terrein aanwezig bij de OU en de UM, waarbij laatstgenoemde zich met name beperkt tot docentprofessionalisering in het hoger onderwijs.

 

Onderzoek en monitoring

Wat moet er gemonitord worden? Welke instrumenten zijn beschikbaar voor de monitoring en welke moeten ontwikkeld worden? Hoe kan onderwijsonderzoek en praktijk beter op elkaar worden afgestemd? Hoe kunnen onderzoeksresultaten vertaald worden naar de dagelijkse onderwijspraktijk? Hoe kan in onderzoek meer samenwerking worden gerealiseerd tussen practoraten, lectoraten en universiteiten? Hoe kunnen onderwijsprofessionals worden ondersteund in het hebben van een meer onderzoekende houding en bij het evidence-informed werken?

Onderzoek en monitoring zijn belangrijk om onderwijsinnovaties te valideren en te snappen onder welke condities innovaties succesvol zijn en wat de werkzame mechanismen zijn. Ook leren wanneer innovaties niet werken of bijsturing nodig is. “Onderwijsverbeteringen zijn kansrijker als ze in gezamenlijkheid tussen scholen en onderzoekers geleidelijk worden ontwikkeld, getest, geïmplementeerd en geëvalueerd”, aldus de Onderwijsraad (2011). Effectief onderwijsonderzoek brengt kennis van de dagelijkse onderwijspraktijk samen met wetenschappelijke instrumenten en inzichten, en partijen zullen gezamenlijk het onderzoek moeten opzetten en de resultaten interpreteren.

Onderwijsprofessionals ervaren vaak een gebrekkige toepasbaarheid van onderzoek in de praktijk. Onderzoekers zijn op zoek naar generaliseerbare kennis en laten zich daarbij niet altijd leiden door vraagstukken uit de directe onderwijspraktijk. Maar ook als dat wel gebeurt, is de vertaalslag van onderzoek naar concrete handvaten voor onderwijsprofessionals lastig. Door binnen de EAL naast het onderzoek zelf, in te zoomen op de processen van de samenwerking tussen onderzoek en praktijk in het onderwijs, draagt de EAL bij aan de kennis hierover. EAL is daarmee een belangrijk voorbeeld voor andere nationale en internationale samenwerkingen.

Voor het monitoren van de ontwikkeling van leerlingen of de evaluatie van projecten, worden veel gegevens in het onderwijs verzameld. Voor effectieve monitoring en het voorkomen van overbelasting van monitoring op scholen is het van belang om systematisch, en niet ad hoc of tijdelijk, brede gegevens te verzamelen over de ontwikkeling van leerlingen: leerprestaties, sociaal-emotionele ontwikkeling, de ontwikkeling van andere vaardigheden (bijv. ontwerpend en onderzoekend leren) en de sociale omgeving. Het volgen van meerdere cohorten leerlingen door de tijd is daarbij essentieel. Op aanvraag van verschillende schoolbesturen is er in 2009 een unieke monitor opgezet die hieraan tegemoetkomt: de OnderwijsMonitor Limburg (OML).